
In mijn werk binnen de kinder- en jeugd GGZ sprak ik geregeld boze pubers die zich afsloten of fel reageerden op hun ouders. De ouders, met paniek in de ogen, vroegen me soms bijna of ik hun puber niet een tijdje in huis wilde nemen. Maar na het vertrouwen van de jongere te hebben gewonnen, zag ik achter de boosheid bijna altijd iets anders in hun ogen: verdriet, eenzaamheid en de pijn van niet echt gekend worden. Regelmatig hoorde ik: “Als ik later een gezin heb, word ik niet zoals mijn ouders.” Hun pijn was voelbaar, en hun verlangen schreeuwde. Tegelijk sprak ik hun ouders — mensen die worstelden, zich machteloos voelden en oprecht hun best deden. In die dynamiek zag ik vaak hetzelfde patroon.
Wanneer een kind iets mist in het contact met ouders, ontstaan vaak twee bewegingen. Sommige kinderen trekken zich terug. Ze leren hun gevoelens minder te laten zien en redden zichzelf. Anderen worden juist boos of claimend en zoeken op een lastige manier aandacht. Onder beide reacties ligt hetzelfde verlangen: gezien worden, erkenning krijgen, voelen dat wat jij voelt belangrijk is voor de ander.
In mijn praktijk zie ik nu vaak volwassenen die dit herkennen uit hun eigen jeugd. De generatie van hun ouders had vaak minder taal voor gevoelens. Er was zorg, maar minder emotionele afstemming. De intentie om het zelf als ouder anders te doen hoor ik vaak terug. Toch blijkt dat in de praktijk niet altijd vanzelf te gaan. Een moeder vertelt me hoe haar dochter boos zei: “Jij begrijpt ook helemaal niks van mij!” Het raakte haar diep. Niet alleen de woorden, maar omdat ze zichzelf als puber precies hetzelfde had horen zeggen. De praktische zorg deed haar moeder goed, maar ze was emotioneel moeilijk bereikbaar. En nu leek zij in dezelfde rol terecht te komen.
Toen we dit samen onderzochten, werd duidelijk wat eronder lag. Gevoelens van eenzaamheid, afwijzing en niet gezien worden uit haar jeugd waren er nog steeds. Als kind had ze geleerd haar kwetsbaarheid niet meer te delen, omdat die weinig werd opgevangen. Diezelfde beweging nam ze onbewust mee. Toen haar kinderen klein waren, ging het nog wel goed. Ze kon best goed zorgen en troosten. Maar nu haar kinderen ouder werden, veranderde er iets. Ze zochten echt contact. Ze wilden weten wat er in haar omging en voelen dat ze emotioneel bereikbaar was. En juist dat lukte niet goed. Het riep ongemak en onmacht bij haar op. In plaats van nabij te blijven, reageerde ze met irritatie, afstand of boosheid. Niet omdat ze haar kinderen wilde afwijzen, maar omdat het te spannend werd om echt dichtbij te blijven.
In therapie stonden we stil bij die oude pijn. Bij wat ze had gemist en hoe ze daarmee had leren omgaan. Door daar woorden aan te geven, ontstond er meer ruimte. Ze leerde haar eigen gevoelens beter herkennen, mild voor zichzelf te zijn en iets langer aanwezig te blijven op momenten waar ze eerder dichtklapte. Door dit dappere proces merkte ze langzaam verschil. Ze voelde zich minder alleen, omdat haar partner en kinderen dichterbij mochten komen. Haar kinderen voelden zich meer gehoord en hoefden minder hard om aandacht te vragen op een negatieve manier. En ook naar haar eigen moeder ontstond meer mildheid; ze kon zien dat ook zij niet kon geven wat ze nooit had ontvangen.
Wat ik vaak zie, is dat de wens om het anders te doen er al is. Maar verandering begint pas wanneer er ruimte komt voor wat je zelf hebt gemist. Niet om in het verleden te blijven hangen, maar om te begrijpen waarom hetzelfde patroon zich blijft herhalen. Zodat “ik word nooit zoals mijn moeder” niet alleen een voornemen blijft, maar ook echt werkelijkheid wordt.